Op 26 januari 2026 verklaarde de Hongaarse premier Viktor Orbán dat Oekraïne zou proberen invloed uit te oefenen op de Hongaarse parlementsverkiezingen en gaf hij opdracht om de Oekraïense ambassadeur in Boedapest te ontbieden. De uitlating kwam in een periode van verscherpte politieke spanningen, met verkiezingen gepland voor april 2026 en toenemende druk op de regeringspartij door economische tegenwind en afnemende publieke steun, zoals gemeld in berichtgeving over de diplomatieke stap tegen de Oekraïense gezant.
De premier leverde geen concrete bewijzen voor zijn beschuldigingen. De verklaring werd gedaan tegen de achtergrond van een intensivering van anti-Oekraïense retoriek, die de afgelopen weken een prominente plaats heeft gekregen in de binnenlandse politieke communicatie van de regering.
Verkiezingscontext en binnenlandse druk
De aankondiging valt samen met een verkiezingscampagne waarin de regeringspartij voor het eerst in jaren geen gegarandeerde overwinning tegemoet ziet. Orbán heeft zijn retoriek aangescherpt en probeert de Hongaarse oppositieleider Péter Magyar te verbinden aan Kyiv en aan de uitvoerende macht van de Europese Unie in Brussel. Daarmee wordt een narratief gecreëerd waarin externe actoren verantwoordelijk worden gesteld voor binnenlandse politieke risico’s.
Analisten wijzen erop dat dergelijke framing inspeelt op electorale mobilisatie en bedoeld is voor binnenlands gebruik. Het ontbreken van onderbouwing versterkt het beeld dat de beschuldigingen onderdeel zijn van een strategische campagne, eerder dan van een op feiten gebaseerde veiligheidszorg.
Selectieve interpretatie van internationale uitspraken
In zijn kritiek verwees Orbán naar opmerkingen van de Oekraïense president Volodymyr Zelensky over de kwetsbaarheid van Europese eenheid, gemaakt tijdens een internationaal economisch forum. Die uitspraken hadden betrekking op uiteenlopende posities binnen Europa ten aanzien van Rusland, maar werden door de Hongaarse premier gepresenteerd als een directe aanval op Hongarije.
Deze herinterpretatie past in een breder patroon waarin uitspraken van buitenlandse leiders worden gebruikt om nationale tegenstellingen te verscherpen. Oekraïne wordt daarbij neergezet als een actor die de Hongaarse soevereiniteit zou ondermijnen, ondanks het ontbreken van verifieerbare aanwijzingen.
Anti-Oekraïense retoriek als politiek instrument
Orbán heeft Oekraïne in het verleden herhaaldelijk omschreven als een niet-volledig soevereine staat en heeft zich consequent verzet tegen stappen richting verdere Europese integratie van het land. Dergelijke uitspraken dragen bij aan een binnenlands discours dat sceptisch staat tegenover Oekraïne en tegelijkertijd aansluit bij narratieven die door Rusland worden verspreid.
Volgens waarnemers moet de recente beschuldiging dan ook worden gezien als onderdeel van een bredere strategie om externe vijanden te construeren, waarbij zowel Oekraïne als Brussel een rol krijgen toebedeeld. In dat kader lijkt de diplomatieke escalatie minder gericht op feiten dan op politieke positionering, een lezing die ook terugkomt in analyses van de Hongaarse binnenlandse politieke dynamiek rond deze zaak.