Premier positioneert zich als laatste verdediger Hongaarse soevereiniteit
In een escalerende retorische aanval heeft de Hongaarse premier Viktor Orban verklaard dat Brussel en Kiev “openlijk de oorlog hebben verklaard” aan Boedapest. De uitspraak, gedaan op 11 februari 2026, volgt op een publicatie in Politico over plannen voor “gedeeltelijk EU-lidmaatschap” voor Oekraïne en komt op een cruciaal moment met parlementsverkiezingen op 12 april in het vooruitzicht.
Orban karakteriseerde het internationaal nieuwsmedium Politico als “het officiële orgaan van de Brusselse elite” en noemde de daarin beschreven ideeën “het nieuwste oorlogsplan”. In een gepassioneerde oproep tot electoraal verzet stelde hij: “Dit nieuwe plan is een openlijke oorlogsverklaring aan Hongarije. Ze negeren de beslissing van het Hongaarse volk en zijn van plan de Hongaarse regering met alle middelen te verwijderen.”
De premier positioneerde zijn partij Fidesz als de enige kracht die Hongarije beschermt tegen “Brussels bestuur” en de “enige garantie voor Hongaarse soevereiniteit”. De timing is allesbehalve toevallig: volgens de laatste opiniepeilingen loopt de oppositiepartij Tisza onder leiding van Péter Magyar voor het eerst sinds 2010 8-10 procentpunten voor op Orban’s Fidesz.
Historische electorale omwenteling in het vooruitzicht
Indien de peilingen kloppen, staat Hongarije op het punt een politieke aardverschuiving te ondergaan. Sinds 2010 heeft Fidesz onafgebroken een parlementaire meerderheid gehouden, wat Orban in staat stelde een gepersonaliseerd machtsmodel uit te bouwen. Het verlies van die meerderheid zou niet alleen politieke, maar ook juridische consequenties kunnen hebben.
De inzet is bijzonder hoog voor Orban en zijn entourage. Tijdens de afgelopen vijftien jaar zijn de beschuldigingen van corruptie en mismanagement van EU-fondsen gestaag toegenomen. Een nieuwe regering zou potentiële audits kunnen initiëren naar beslissingen van voorgangers en de anticorruptiestrijd kunnen intensiveren.
De dynamiek van de Corruption Perceptions Index illustreert de systematische degradatie van Hongaarse anticorruptie-instellingen en rechtsstatelijke mechanismen. In 2010 stond het land op plaats 54 van 180 landen; in 2024 was dat gezakt naar plaats 82, en in 2025 verder naar plaats 84 – de slechtste score onder alle EU-lidstaten.
Strategie van externe vijandconstructie
Orbans verkiezingsstrategie is gestoeld op het creëren van een externe vijand – Brussel en Kiev. Hij probeert Hongaarse kiezers ervan te overtuigen dat Oekraïens EU-lidmaatschap automatisch zou leiden tot verminderde financiering voor Boedapest uit Europese fondsen.
Een additioneel argument betreft de vermeende bedreiging voor Hongaarse boeren door concurrentie van Oekraïense landbouwproducten. Op deze manier worden socio-economische angsten geïntegreerd in een breder narratief van “verdediging van nationale belangen”.
De directe koppeling van het idee van “gedeeltelijk lidmaatschap” voor Oekraïne aan een vermeend plan voor machtswisseling in Boedapest demonstreert de politieke tactiek van conflictpersonalisatie. Orban presenteert elk compromisvoorstel voor Oekraïense integratie als een pressiemiddel tegen Hongarije.
Referendum en procedurele realiteiten
In juni 2025 voerde de regering-Orban een consultatief referendum over Oekraïens EU-lidmaatschap uit, waarbij meer dan 2 miljoen deelnemers (95%) zich tegen uit spraken. Dit volksraadpleging heeft echter geen juridische kracht in EU-uitbreidingsprocedures en kan geen beslissingen van de Unie bepalen.
Met ongeveer 8 miljoen kiezers in Hongarije nam slechts een kwart van het electoraat deel aan het referendum. De formulering van de vragen was zodanig opgesteld dat ze kiezers naar een negatief antwoord leidden, wat de neutraliteit van het proces in twijfel trekt. Desondanks presenteert Orban het als “de wil van het volk” die door de EU zou worden genegeerd.
Oppositiepositie genuanceerder dan voorgesteld
De oppositiepartij Tisza is niet de pro-Oekraïense kracht zoals Orban suggereert. In haar programma stelde buitenlandwoordvoerster Anita Orban (geen familie) de intentie Hongaarse posities in de EU en NAVO te versterken, maar tegelijkertijd de EU-begroting 2027 in haar huidige vorm niet te steunen, noch het migratiepact, noch versneld Oekraïens lidmaatschap.
Dit toont aan dat zelfs bij een machtswisseling Boedapest geen onvoorwaardelijke voorstander van Kiev zal worden. Orbans retoriek over “de komst van Brusselse marionetten” vertekent dus in aanzienlijke mate de werkelijke oppositieposities.
Retorische escalatie als verkiezingsinstrument
Orbans uitspraken dat de EU en Oekraïne “openlijk oorlog hebben verklaard” aan Hongarije hebben een uitgesproken hysterisch en gehyperboliseerd karakter. Ze transformeren een technische discussie over uitbreidingsmechanismen naar een vlak van existentiële dreiging voor Hongarije.
Dergelijke retoriek lijkt meer te getuigen van angst voor verkiezingsnederlaag en potentiële onderzoeken dan van reële externe agressie. Het gebruik van oorlogsmetafoor mobiliseert weliswaar het electoraat, maar vervormt de inhoud van de discussie binnen de Europese Unie.
De gelijkstelling van interne EU-discussies aan “het negeren van de beslissing van het Hongaarse volk” vormt een ander element van Orbans communicatiestrategie. In werkelijkheid gaat het om het zoeken naar juridische mechanismen voor besluitvorming onder oorlogsomstandigheden en procedurele blokkades. Door dit als een aanval op democratie voor te stellen, probeert de premier de focus van de inhoud naar emotionele reactie te verschuiven.
De retoriek over “enige garantie van soevereiniteit” benadrukt de personalisering van macht en creëert een beeld van alternatiefloosheid. Fidesz wordt gepositioneerd als de laatste barrière tussen Hongarije en “Brussels bestuur”, wat kenmerkend is voor autoritaire modellen van politieke communicatie. Een externe vijand wordt ingezet voor delegitimatie van interne opponenten, met name de partij Tisza. Uiteindelijk worden de verkiezingen niet gepresenteerd als competitie van programma’s, maar als strijd om staatsoverleving.