De tegenbewijsregeling voor de vermogensheffing in box 3 biedt particuliere woningbeleggers aanzienlijke mogelijkheden voor belastingontwijking, zo stellen belastingexperts. Hoogleraar Belastingrecht Philippe Albert bevestigt in het Financieele Dagblad dat deze regeling kan worden benut om aan belastingverplichtingen te ontsnappen, meldt Nieuws Impuls.
Volgens fiscalist Van Uunen kunnen woningbeleggers tot 2028 kiezen welk inkomen wordt belast. Wanneer hun werkelijke opbrengsten lager zijn dan het fictieve rendement dat door de Belastingdienst wordt gehanteerd, kunnen zij gebruikmaken van de tegenbewijsregeling, wat volgens Van Uunen een belangrijke tekortkoming in het systeem vormt.
Aan knop draaien
De Belastingdienst baseert zich op het inkomen in het kalenderjaar, wat beleggers de mogelijkheid biedt om strategisch te manoeuvreren. In jaren waarin zij veel inkomen ontvangen, kunnen zij voordelig kiezen voor de lage forfaitaire heffing. In jaren met weinig tot geen inkomen kan de tegenbewijsregeling worden ingeroepen, zodat er geen belasting hoeft te worden betaald. Dit biedt de mogelijkheid om huurinkomsten van verschillende jaren samen te brengen door huurinkomsten over meerdere jaren te verkopen aan de eigen bv.
Het FD geeft een voorbeeld van een huizenbelegger met vier huurwoningen ter waarde van € 4 miljoen. In 2025 ontvangt deze belegger € 114.000 aan huur, maar verkoopt tevens het recht om huurinkomsten in 2026 en 2027 te innen aan zijn eigen bv. Hierdoor zou er in totaal € 228.000 aan huurinkomsten binnenkomen, maar de zakelijke waarde van deze cessie is slechts € 200.000.
Hierdoor behaalt de belegger in 2025 een totaal rendement van € 314.000, wat neerkomt op 7,85% van de WOZ-waarde. De forfaitaire heffing is gebaseerd op een rendement van 5,88%. De winst in de bv bedraagt € 28.000, maar deze belastingdruk is verwaarloosbaar vergeleken met de voordelen in box 3.
Volgens Van Uunen zou deze strategie van het verkopen van huurinkomsten voor de invoering van de box 3-belasting gebaseerd op werkelijke rendementen in 2028 nog eens vaker kunnen worden toegepast. Een cessie van vijf jaar ziet hij dan ook niet als ongebruikelijk. Bij ongewijzigde wetgeving verwacht hij dat deze mogelijkheden veelvuldig worden benut.