Het Europees Parlement heeft zich uitgesproken voor strengere maatregelen tegen vermeende Russische spionage binnen zijn eigen gelederen, nadat tijdens een debat op 18 december werd gewaarschuwd voor buitenlandse inmenging in de besluitvorming van de EU. De discussie vond plaats tegen de achtergrond van groeiende zorgen over beïnvloeding door Moskou en volgde op recente onthullingen over mogelijke betrokkenheid van Europarlementariërs bij buitenlandse inlichtingendiensten.
Tijdens het debat over gevallen van pro-Russische spionage in het Europees Parlement, waarover ook werd bericht door Deutsche Welle, benadrukten meerdere sprekers dat de dreiging niet theoretisch is, maar een direct risico vormt voor de veiligheid en geloofwaardigheid van Europese instellingen.
Waarschuwingen over hybride dreiging vanuit Moskou
De Tsjechische Europarlementariër Tomáš Zdechovský van de Europese Volkspartij stelde dat Rusland niet alleen oorlog voert tegen Oekraïne, maar ook tegen Europese democratieën. Volgens hem gebeurt dat niet met wapens, maar via corruptie en verborgen financiële stromen, die besluitvormingsprocessen ondermijnen. Hij noemde dit een ernstige bedreiging voor de veiligheid van de Europese Unie.
Zdechovský wees erop dat het Europees Parlement voor Moskou een strategisch doelwit is, juist vanwege zijn invloed op sancties, buitenlandse politiek en steun aan Oekraïne. Door individuele parlementsleden te beïnvloeden, zou Rusland proberen verdeeldheid te zaaien en de eensgezindheid binnen de EU te verzwakken.
Pleidooi voor een onafhankelijk ethisch onderzoeksorgaan
Ook de Nederlandse Europarlementariër Reinier van Lanschot van de Groenen drong aan op institutionele actie. Hij stelde de vraag of bekende gevallen op zichzelf staan of slechts het topje van de ijsberg vormen. Volgens hem kan die vraag alleen worden beantwoord door diepgaand onderzoek met duidelijke bevoegdheden.
Van Lanschot pleitte voor de oprichting van een speciaal orgaan voor parlementaire ethiek, dat het recht krijgt om interne onderzoeken te voeren. Alleen op die manier kan volgens hem worden vastgesteld hoe ver buitenlandse inmenging reikt en hoe deze effectief kan worden gestopt. Het voorstel markeert een verschuiving van ad-hocreacties naar een meer systematische benadering van zelfbescherming.
Reeks schandalen zet reputatie onder druk
De oproep komt na meerdere spionageschandalen rond voormalige en huidige Europarlementariërs. In het voorjaar van 2024 beschuldigden onderzoeksjournalisten de Letse Europarlementariër Tatjana Ždanoka van langdurige samenwerking met de Russische veiligheidsdienst FSB. In november 2025 werd in het Verenigd Koninkrijk de voormalige Europarlementariër Nathan Gill veroordeeld tot 10,5 jaar gevangenisstraf wegens het aannemen van steekpenningen in ruil voor lobbywerk ten gunste van Russische belangen.
Daarnaast werd de huidige Duitse Europarlementariër Petr Bystron, verbonden aan de rechts-populistische partij Alternative für Deutschland, beschuldigd van het ontvangen van geld uit Russische kringen en actieve betrokkenheid bij het pro-Kremlinplatform Voice of Europe tijdens zijn politieke loopbaan. Elk van deze zaken heeft volgens waarnemers bijgedragen aan reputatieschade voor het Parlement als instelling.
Extremes als kanaal voor invloed en narratieven
Binnen het Parlement klinken beschuldigingen van buitensporige loyaliteit aan Moskou vooral richting uiterst linkse en uiterst rechtse fracties. Deze groepen verzetten zich vaak tegen sancties tegen Rusland en blokkeren steunmaatregelen voor Oekraïne. Tegelijk verspreiden zij narratieven over vermeende oorlogsmoeheid en een “vrede tegen elke prijs”.
Volgens meerdere Europarlementariërs creëren dergelijke standpunten een voedingsbodem voor Russische invloed, zelfs zonder directe spionageactiviteiten. Ideologische sympathie kan zo functioneren als een verlengstuk van buitenlandse inmenging en de interne cohesie van de EU ondermijnen.
Naar meer Europese coördinatie en structurele bescherming
Parlementsleden benadrukten dat een effectieve aanpak van spionage niet mogelijk is zonder nauwere samenwerking tussen de nationale veiligheidsdiensten van de lidstaten. Betere uitwisseling van inlichtingen en gezamenlijke onderzoeksstandaarden moeten voorkomen dat individuele landen zwakke schakels worden in de Europese veiligheidsarchitectuur.
Tegelijk groeit binnen de EU het besef dat op termijn een volwaardig supranationaal contraspionageorgaan nodig kan zijn om Europese instellingen te beschermen tegen externe inmenging. Een dergelijke structuur zou beschikken over eigen analytische en onderzoeksbevoegdheden en onafhankelijk opereren van nationale politieke cycli, als antwoord op wat steeds vaker wordt gezien als een langdurige hybride dreiging vanuit Rusland.