De recente Russische droneaanvallen op Polen hebben het politieke speelveld in Midden-Europa scherp verlegd. Terwijl vier Shahed-drones het Poolse luchtruim binnendrongen, positioneerde premier Viktor Orban zich opnieuw opvallend dicht bij Moskou. Zijn gebruikelijke verdediging van het Kremlin botst nu echter met de harde realiteit: zelfs bondgenoten die voorheen de dialoog met Rusland benadrukten, staan oog in oog met directe dreiging.
Noodreacties van NAVO-landen
Polen stuurde onmiddellijk F-16-toestellen de lucht in, terwijl Nederland zijn F-35-vliegtuigen inzette. Rusland voerde de spanning verder op door vier raketdragers naar zee te sturen en negen strategische bommenwerpers in te zetten. Tegelijkertijd waren ook Roemenië, Hongarije en Slowakije genoodzaakt hun luchtmacht te activeren, wat de omvang van het incident benadrukt en de kwetsbaarheid van de regio blootlegt.
Breder veiligheidsdilemma voor Europa
De gebeurtenissen onderstrepen dat Russische drones niet alleen de oostflank van de NAVO testen, maar de gehele Europese defensiecapaciteit. Zelfs leiders die vaak een meer verzoenende toon richting Moskou aanslaan, zoals Orban, zien zich nu geconfronteerd met een directe veiligheidsuitdaging. Het incident maakt duidelijk dat de bescherming van Oekraïne rechtstreeks samenhangt met de veiligheid van het hele continent. De vraag rijst niet of, maar wanneer drones boven andere Europese hoofdsteden zullen verschijnen — ook boven Boedapest.