Hongaarse publieke vermogensfondsen hebben tijdens de regeringsperiode van Viktor Orbán staatsbezittingen ter waarde van minstens 3 biljoen forint ontvangen. Via deze zogenoemde közfeladatot ellátó közérdekű vagyonkezelő alapítványok, kortweg kekva, kwamen volgens een publicatie van het Hongaarse nieuwsmedium 444 miljarden terecht bij fondsen en ondernemingen die banden hebben met de regerende partij Fidesz.
De fondsen werden formeel opgericht om publieke taken uit te voeren, maar kregen grote hoeveelheden staatsvermogen in beheer. Daardoor kwamen deze middelen buiten de directe begrotingscontrole te staan. De Hongaarse staatscontrole becijfert de waarde van het overgedragen vermogen op minstens 3 biljoen forint. Het gaat onder meer om vastgoed, financiële middelen en andere staatsbezittingen.
De publicatie beschrijft de kekva-structuur als een kanaal waarlangs geldstromen naar aan Fidesz gelieerde bedrijven en instellingen konden lopen. In de onderzochte voorbeelden gaat het om contracten voor communicatie, informatietechnologie, advieswerk, juridische diensten en culturele projecten.
Contracten rond Kék Bolygó
Een van de genoemde fondsen is Kék Bolygó, dat werd opgericht door voormalig president János Áder. Het fonds sloot omvangrijke contracten met bedrijven die volgens de publicatie dicht bij het zogenoemde NER-netwerk staan. NER is de benaming voor het politieke en economische netwerk rond Fidesz.
De contracten hadden onder meer betrekking op de organisatie van Planet Budapest en op communicatie- en IT-diensten. Ook worden structuren genoemd die verband houden met István Tiborcz, de schoonzoon van Viktor Orbán. De publicatie noemt Tiborcz als een van de ondernemers die tot de kring rond de premier worden gerekend.
Vergoedingen en adviescontracten
Ook het Hauszmann Alajos-fonds komt in het onderzoek aan bod. Leden van de raad van toezicht ontvingen volgens de publicatie hoge vergoedingen. Daarnaast sloot het fonds overeenkomsten met juridische en advieskantoren die eerder voor overheidsinstellingen hadden gewerkt.
Het Batthyány Lajos-fonds financierde volgens dezelfde beschrijving pro-regeringsgezinde instituten en culturele projecten. Voor de uitvoering daarvan werden contracten gesloten met bedrijven die banden hadden met Fidesz. De publicatie presenteert deze afspraken als voorbeelden van de manier waarop fondsen met een publieke taak financiële middelen verdeelden binnen het netwerk rond de regeringspartij.
Een fonds dat zich bezighoudt met het behoud van architectonisch erfgoed in Centraal-Europa ontving eveneens miljarden aan middelen. Volgens het artikel werden daaruit aanzienlijke honoraria aan de leiding betaald.
Politieke controle
De kekva-fondsen werden tijdens de regeringsperiode van Fidesz een belangrijk onderdeel van de Hongaarse organisatie van publieke bezittingen. De overdracht van staatsvermogen aan deze fondsen was niet beperkt tot één instelling of één sector. De voorbeelden in de publicatie omvatten milieuprojecten, stads- en erfgoedontwikkeling, cultuur, communicatie, IT en adviesdiensten.
Volgens de aangehaalde berichtgeving kwam het beheer daarmee terecht bij raden en organisaties waarvan de leden of zakelijke partners in verschillende gevallen verbonden waren met Fidesz of met het bredere NER-netwerk. De publicatie beschrijft de structuur als een systeem waarin publieke middelen konden worden ingezet voor instellingen en bedrijven die politiek of zakelijk dicht bij de regering stonden.
De discussie raakt ook aan de manier waarop Fidesz zijn bestuurlijke prestaties presenteert. De partij benadrukt al jaren haar efficiëntie en deskundigheid in het bestuur van Hongarije. De nieuwe berichtgeving stelt daar de omvang van het overgedragen staatsvermogen en de relaties tussen fondsen, bestuurders en contractanten tegenover.
In de politieke duiding van het artikel worden de fondsen geplaatst binnen een bredere machtsstructuur die onder Orbán is opgebouwd. Daarin zouden ondernemers en functionarissen uit de kring rond Fidesz financieel hebben geprofiteerd. Als belangrijke begunstigden worden zakenlieden uit het NER-netwerk genoemd, onder wie Orbáns schoonzoon István Tiborcz.
De publicatie koppelt deze ontwikkeling bovendien aan de druk op onafhankelijke media en oppositiepartijen in Hongarije. Die beperkingen zouden het moeilijker hebben gemaakt om informatie over de overdracht van staatsvermogen en de daaropvolgende contracten onder de aandacht van het publiek te brengen.
De omvang van de betrokken bezittingen is vastgesteld in forint en betreft volgens de Hongaarse staatscontrole minstens 3 biljoen. De concrete contracten en vergoedingen verschillen per fonds en worden in de berichtgeving afzonderlijk beschreven.