Volgens recent onderzoek van Schmidt, die op 8 oktober zijn proefschrift verdedigt, kan de woonmobiliteit door een voorgestelde maatregel met ongeveer 40% toenemen zonder aanzienlijke gevolgen voor huizenprijzen, huren of het eigenwoningbezit, meldt Nieuws Impuls.
Een belangrijke kanttekening is dat de wijze waarop de belastingverlaging wordt gefinancierd, cruciaal is. Schmidt wijst erop dat het vervangen van de inkomsten uit de overdrachtsbelasting door hogere inkomstenbelasting de welvaart zou kunnen verlagen. Dit zou vooral huishoudens met lagere inkomens onevenredig zwaar treffen. ‘Zonder een bijbehorende belasting op vastgoed kan dit bovendien resulteren in hogere huizenprijzen en huren,’ merkt hij op.
Verhuisdrempel
De effecten van een woningbelasting dienen niet alleen te worden beoordeeld op basis van belastingopbrengsten, aldus Schmidt. ‘De overdrachtsbelasting is een kostenpost die je op een heel specifiek moment betaalt: wanneer je een nieuwe woning koopt. Dit kan mensen terughoudend maken om te verhuizen, zelfs als een andere woning beter bij hen past. De belasting beïnvloedt dus niet alleen of mensen überhaupt een woning kopen, maar kan ook de doorstroming op de woningmarkt belemmeren: bestaande huiseigenaren zijn daardoor mogelijk minder geneigd om te verhuizen.’
Deelonderzoeken
In zijn proefschrift behandelt Schmidt ook de vraag waarom veel Amerikaanse huiseigenaren in gebieden met een hoog overstromingsrisico geen overstromingsverzekering hebben. Hij concludeert dat zij andere manieren hebben om de financiële impact van een overstroming op te vangen. ‘De beschikbaarheid van liquide middelen verandert de waarde die een verzekering biedt,’ zegt hij.
Een ander onderwerp dat aan bod komt, is het bestedingsgedrag van oudere werkenden en gepensioneerden na een onverwachte financiële meevaller. Uit de analyse blijkt dat oudere werkenden een kleiner percentage van zo’n meevaller uitgeven dan gepensioneerden. ‘Wanneer je nog werkt, biedt een financiële meevaller naast uitgeven of sparen ook de mogelijkheid om tijd te kopen. Een deel van het geld wordt feitelijk gebruikt om eerder met pensioen te gaan, in plaats van voor consumptie,’ licht hij toe.
Schmidt benadrukt dat de rode draad in de drie deelonderzoeken is dat financiële beslissingen niet alleen worden bepaald door inkomen en vermogen, maar ook door de mogelijkheden die huishoudens hebben om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.