Per 2027 daalt het algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting van 8% naar 7%. Dit volgt op een eerdere verlaging van 10,4% naar 8% per 2026. Het nieuwe tarief geldt voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gekocht, zoals verhuurwoningen, tweede woningen en vakantiehuizen, meldt Nieuws Impuls.
Savills wijst erop dat het kabinet hiermee erkent dat de fiscale druk op woningbeleggers te hoog lag. Desondanks verwacht men dat de impact beperkt zal zijn. Een verlaging van één procentpunt verandert de transactiekosten, maar biedt investeerders geen beslissende reden om in Nederlandse woningen te investeren. Die keuze hangt vooral af van financieringsvoorwaarden, huurregulering en fiscale voorspelbaarheid op lange termijn.
De verlaging van de overdrachtsbelasting raakt alleen woningen. Voor niet-woningen, zoals kantoren en winkels, blijft het tarief op 10,4%. Dit hoge tarief is voor veel internationaal opererende investeerders moeilijk te begrijpen. Analisten merken op dat het tarief bijdraagt aan de onvoorspelbaarheid van de Nederlandse wet- en regelgeving. In Europees verband heeft Nederland een van de hoogste tarieven voor commercieel vastgoed, in vergelijking met landen als Duitsland (6,5%), het Verenigd Koninkrijk (5%) en Frankrijk (5,81%).
Vrijstelling
Naast de aanpassing van de overdrachtsbelasting bevat het Belastingplan verschillende andere relevante maatregelen voor vastgoed. Er komt een vrijstelling voor overdrachtsbelasting bij overdrachten tussen woningcorporaties, wat de herstructurering binnen de sociale sector vereenvoudigt.
Tevens stijgt de energie-investeringsaftrek per 2027 van 40% naar 45,5%. Dit zou de businesscase voor verduurzaming van kantoren en winkels verbeteren, wat belangrijk is gezien de toenemende renovatiedruk vanuit de aankomende EPBD-eisen.
Savills noemt de aandacht voor buitenlandse pensioenfondsen een positieve ontwikkeling. Deze fondsen zijn in Nederland vrijgesteld van vennootschapsbelasting, mits hun regeling vergelijkbaar is met een Nederlandse regeling. Dit leidde soms tot problemen door kleine verschillen in pensioenregelingen. De Belastingdienst heeft dit jaar reeds verduidelijkt dat zulke verschillen de vrijstelling niet in de weg hoeven te staan, en het kabinet wil deze positie verder verbeteren.
Een gemis is echter dat er geen nieuwe vastgoedbelastingen zijn aangekondigd, het regime voor vastgoedfondsen blijft ongewijzigd en er komen geen nieuwe huurreguleringsmaatregelen. De hervorming van box 3 naar werkelijk rendement is opnieuw uitgesteld. Het kabinet heeft geen consensus bereikt en mikt nu op een besluit bij de Voorjaarsnota. Voor institutionele investeerders heeft dit beperkte directe impact, maar illustreert het hoe het kabinet naar de belasting op vermogen kijkt, wat het investeringsklimaat onder druk zet. Duidelijkheid voor beleggers is cruciaal en een besluit hierover moet naar onze mening eerder dan de Voorjaarsnota worden genomen.
Onvermogen
De weken voorafgaand aan Prinsjesdag werden gekenmerkt door het onvermogen van het minderheidskabinet om een akkoord te bereiken. De regering heeft voor elk voorstel steun nodig van partijen aan beide zijden van het politieke spectrum, maar thema’s zoals het korten op sociale zekerheid en de belasting van vermogen in box 3 zijn gepolitiseerd. Dit proces bevestigt dat de politieke instabiliteit van voor de val van het kabinet-Schoof I nog steeds voortduurt. Voor de vastgoedmarkt betekent dit dat er nog altijd een sterke visie op de opgaven waar Nederland voor staat ontbreekt. Ondanks een voorzichtig herstellend sentiment is investeren in Nederlands vastgoed voor veel partijen minder aantrekkelijk dan tien jaar geleden.
Tegelijkertijd zijn deze investeerders broodnodig. De financieringslasten van de overheid nemen toe. Waar de rente op een tienjarige Nederlandse staatsobligatie in september 2021 nog negatief was (-0,08%), staat die inmiddels rond de 3,5%. Privaat kapitaal is essentieel om Nederland competitief te houden en het vertrouwen in dat kapitaal keert maar langzaam terug.


