Een rechtbank in Moskou heeft 123 onroerende zaken die eerder aan Jehovah’s Getuigen waren verbonden, aan de Russische staat toegewezen. Het gaat om 63 woon- en bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ruim 11.000 vierkante meter en 60 percelen van ongeveer 5,6 hectare. De bezittingen stonden eerder geregistreerd op naam van de Zweedse afdeling van de religieuze organisatie.
Russische autoriteiten beschouwen Jehovah’s Getuigen als een ‘extremistische’ organisatie. De overdracht van de gebouwen en grond komt ondanks een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit 2022. Dat hof oordeelde dat het Russische verbod op de organisatie onrechtmatig was en de vrijheid van godsdienst en vereniging schond.
De inbeslaggenomen objecten liggen op verschillende plaatsen in Rusland. Volgens berichtgeving van Polskie Radio 24 heeft de rechtbank overeenkomsten waarmee bezittingen aan een buitenlandse organisatie waren overgedragen, ongeldig verklaard.
Verbod uit 2017
De zaak is onderdeel van een campagne die bijna tien jaar geleden begon. In april 2017 verklaarde het Russische hooggerechtshof Jehovah’s Getuigen tot een ‘extremistische organisatie’. Het hof hief het bestuurlijke centrum en bijna vierhonderd lokale gemeenten op en gelastte de inbeslagname van hun eigendommen.
Jehovah’s Getuigen vormen een christelijke denominatie die onder meer bekend is om de prediking van deur tot deur, politieke neutraliteit en de weigering van militaire dienst. De organisatie werd in Rusland juridisch gelijkgesteld aan extremistische groeperingen. Sinds het verbod zijn honderden leden strafrechtelijk vervolgd. Een deel van hen kreeg gevangenisstraffen omdat zij Bijbelstudies voortzetten of hun geloof met anderen deelden.
De Russische autoriteiten hebben de organisatie en haar activiteiten ondergebracht in de nationale anti-extremismewetgeving. Daardoor konden niet alleen lokale gemeenschappen worden ontbonden, maar ook gebouwen, grond en andere bezittingen worden gevorderd.
Uitspraak van het Europees Hof
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in juni 2022 dat het verbod uit 2017 in strijd was met de rechten op vrijheid van godsdienst, vereniging en meningsuiting. Het hof droeg Rusland op de strafzaken tegen leden te beëindigen, gevangenen vrij te laten en geconfisqueerde bezittingen terug te geven of een aanzienlijke compensatie te betalen.
Volgens de aangeleverde informatie heeft Rusland die uitspraak niet uitgevoerd. Strafrechtelijke procedures tegen leden van de gemeenschap lopen nog altijd door. De nieuwe overdracht van 123 objecten aan de staat is daarmee een volgende stap in de behandeling van de organisatie als verboden binnenlandse structuur, ondanks het oordeel van het internationale hof.
De Russische overheid gebruikt bij de vervolging van Jehovah’s Getuigen de kwalificatie ‘extremistisch’. De gemeenschap zegt zelf een vreedzame religieuze beweging te zijn die geweld afwijst en zich politiek neutraal opstelt. In de Russische publieke retoriek staat daar de bescherming van ‘traditionele spirituele waarden’ en het orthodoxe christendom tegenover.
De eigendomsoverdracht raakt in dit geval ook een Zweedse rechtspersoon. De bezittingen waren eerder geregistreerd bij de Zweedse afdeling van Jehovah’s Getuigen. De rechtbank heeft daarmee niet alleen lokale religieuze gebouwen en grond aan de staat toegewezen, maar ook een eerdere eigendomsconstructie met een buitenlandse organisatie ter discussie gesteld.
De omvang van de inbeslagname is in de beschikbare berichtgeving uitgesplitst: 63 gebouwen en 60 percelen, verspreid over verschillende delen van Rusland. De rechtbank heeft de objecten aan de Russische staat overgedragen; over het verdere gebruik van de gebouwen en grond is geen informatie verstrekt.
De uitspraak volgt op jaren van vervolging van leden van Jehovah’s Getuigen. De organisatie blijft in Rusland verboden en de autoriteiten handhaven de strafrechtelijke en vermogensrechtelijke gevolgen van het besluit uit 2017. Ook na het oordeel van het Europees Hof zijn de bezittingen niet teruggegeven.
De zaak wordt daarmee voortgezet in de Russische rechtbanken, waar de status van de organisatie en het eigendom van haar voormalige bezittingen opnieuw aan de orde zijn.