Woonquote in Nederland Neemt Af, Maar Verschillen Blijven Bestaan
De woonquote voor alle huishoudens daalt, meldt Nieuws Impuls. Huishoudens in een huurwoning van een woningcorporatie gaven in 2024 gemiddeld 24,6% van hun inkomen uit aan woonlasten, terwijl dit percentage voor huishoudens in een private huurwoning op 30,0% lag. Voor eigenwonende huishoudens bedroeg de woonquote 16,3%. De woonquote, die de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen weergeeft, vertoont significante verschillen tussen eigenaren en huurders, met kleinere variaties op basis van de woonduur.
Voor huurders van een private huurwoning met een woonduur van minder dan vijf jaar was de woonquote zelfs 31,0%, de hoogste onder de in deze categorie. Bij woningeigenaren die al twintig jaar of langer in hun woning wonen, lag dit percentage op 15,2%, de laagste waarde. Huishoudens met een woonduur van minder dan een jaar zagen de woonquote iets stijgen, met 23,4% voor eigenaren en 26,5% voor huurders van een woningcorporatie, terwijl huurders van een private huurwoning op 33,5% uitkwamen.
Starters op de woningmarkt hebben doorgaans een hogere woonquote dan doorstromers, met het grootste verschil te zien bij eigenaren (26,3% voor starters versus 22,9% voor doorstromers). Huishoudens waarvan alle leden starters zijn en die in een private huurwoning wonen, hebben met 35,1% de hoogste woonquote. Starters met een eigen woning in een van de vier grootste steden ervaren ongeveer dezelfde woonquote als in de rest van het land, terwijl doorstromers met een eigen woning in de grote steden een iets hogere woonquote hebben (tussen 24,8% en 25,4%) dan hun tegenhangers buiten de steden (22,6%). Tevens zijn hun mediane woonlasten hoger, variërend tussen ongeveer €1.300 en €1.500 in de grote steden, vergeleken met zo’n €1.200 in de rest van het land.